Hij is Koning.

IsraŽl verlangde een koning. Het was niet in de gunst van de Heere om Saul tot koning te zalven. Er stond een belofte. Eenmaal zou een maagd zwanger worden door toedoen van de Heilige Geest. Dan zou IsraŽl een Koning krijgen. De Koning. Boven allen die de aarde regeren staat de Heere Jezus Christus als de Koning der koningen. En alles is aan Hem onderworpen. Hij heeft de regie in handen van het hele wereldgebeuren. Mensen kunnen iets willen. Maar zonder Zijn toelating zal het niet geschieden.

Hij is de Almachtige. De Alomtegenwoordige. Hij is de geheel Andere. De Eeuwige. Wanneer we daar iets van mogen gaan zien, verwondering vervult ons hart. Eerbied en ontzag. Voor zo'n Koning aan ons gegeven. En voor Hem buigen wij ons neer. Hem aanbidden we. Hem roepen we aan. En Hij laat geen bidder staan. De Koning der koningen is rechtvaardig in Zijn regeren. Zo moet die Koning eeuwig leven. Bidt elk met diep ontzag.

De Heere Jezus Christus is de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen. De Vader verkiest zondaren tot het eeuwige leven. De Heilige Geest past het werk van de bekering en de heiligmaking toe. En dit alles is mogelijk door de Koning Die van IsraŽls God is gegeven. Hij is de Zaligmaker. Hij is de Redder der wereld. Drie Personen in het ene Goddelijke Wezen. Doch de tweede Persoon openbaart Zich als laatste aan hen die getrokken zijn uit de duisternis tot het wonderbare licht.

De Heere Jezus Christus is Koning. Hij regeert. Hij toont Zijn Almacht. De Heilige Geest neemt uit Hem en past het toe aan de harten van mensen die van nature dood liggen in de zonde. Mensen die van nature aan de eeuwige dood onderworpen zijn gaat het Licht op. Zij staan uit hun geestelijk dood op door een wonder. Want hoe zal een mens uit zichzelf opstaan. Daar moet een wonder in het leven gebeuren. Dat wonder ligt in onze Koning. Hij verleent gratie. Hij geeft genade. En zo kan wat nooit meer kon.

Zondaren die dit wonder ten deel vallen raken nooit uitgewonderd dat het wonder hen is toegedeeld. Dat zo grote liefde tot die God in hen wordt uitgestort. Zo grote liefde tot de naaste. Immers gaan zoveel mensen verloren. Die geen ontferming kennen. De eeuwigheid die wacht zal dit wonder nog groter maken. Eeuwig zullen ze zingen van Gods goedertierenheden.

Genade houdt Gods kinderen aan de genadetroon. Ze leven geen leven zonder moeite en verdriet. Ze worden het gewaar dat ze dagelijks de hulp van de Heere nodig hebben. Geen moment kunnen ze zonder Zijn trouwe zorg. Zonder Zijn kracht. Zonder Zijn liefde. Alles wat ze ontvangen komt voort uit de liefde. Liefde van de Vader voor mensen die het niet waard zijn. En ze zingen het: Heere waar dan heen. Tot U alleen.

Zo prijzen ze hun Koning. Maar ze prijzen Hem ook anderen aan. Want wat hen is geschonken en hen is ten deel gevallen, dat is voor ieder mogelijk. Ja dat gunnen ze iedereen. Mensen zullen door hun woorden zeer begerig worden naar het heil aan hen toegezegd. Ze worden evangelisten in hun dagelijks leven. De ťťn in Woord en de ander in Daad. Want het grote goed wat wordt geschonken is mededeelzaam. Dagelijks leren ze door genade van de genade bij. Maar dagelijks komt op hun weg waar ze de genade die ze hebben ontvangen kunnen uitdelen. Want de Heere verspilt Zijn genade niet en nooit.

De Heere Jezus Christus is Koning. Hij wil de Koning van mensen zijn. Hij wil hen helpen. Hen beschermen. Voor hen zorgen. En die Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot. Het is een bukkend leven. Een leven aan de voeten van de Heiland. Belijdend dat het in eigen kracht niets is, niets was, maar ook nooit iets zal worden. De laagste plaats voor die grote Koning. Dan zal Hij hen verhogen te Zijner tijd.