Een taak in Gods Koninkrijk

In Gods Woord wordt gesproken over het Lichaam van Christus. Hiermee wordt dan in het Nieuwe Testament de gemeente of de kerk van Hem bedoeld. Al Gods kinderen zijn de leden van het Lichaam. En voor elk is een taak weggelegd. Om in het grote geheel tot eer van God te functioneren. Tot elk lichaam behoren grote en kleine leden. Er is een been. Er is een voet. Een teen. Een teennagel. Kijkend naar de betrekking tot het beeld wat in de Bijbel wordt gebruikt, wil dit zeggen dat het ene kind van God een grotere taak heeft dan de andere. In het geheel van de kerk is echter ieders opdracht van belang. Wanneer Saulus op de weg naar Damascus wordt stilgezet, is direct zijn vraag: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal. Het verdere leert dat hij onderwezen wordt door Ananias. En hij preekte direct de Christus. Het wil zeggen dat hij het verschil had gezien met zijn vorige leven. Waarin hij streed tegen de Heere.Jezus. Voortaan gaf hij onderwijs in het nieuwe godzalige leven met de Heere. Hij werd met recht een kind van God met een geweldige opdracht. Een groot lid van het Lichaam van Christus.

De Heere is heel vrij om Zijn werk te verdelen. Daarbij roept Hij eerst mensen. Vervolgens worden ze bekwaam gemaakt voor de taak die hen wacht. In dit alles leren Gods kinderen dat ze slechts de zogenaamde krantenjongens van de Heere zijn. Ze doen het werk wat de Heere hen opdraagt. Doch het dragen van vrucht is voor de Heilige Geest. Daarom vragen ze ook bij alles of de Heere Zijn Geest wil schenken. Och, schonk Gij mij de hulp van Uwe Geest. Soms is een hele zware leerschool nodig om mensen toe te rusten voor een bijzonder werk. Jaren kunnen er overheen gaan voor de Heere de tijd daar acht tot het uitvoeren van datgene waartoe is geroepen. En nog altijd blijft het een afhankelijk zijn van de Heere in alle opzichten.

Gods molens malen langzaam maar zeker. Het kan een tijd lijken alsof er helemaal niets terechtkomt van het leven van iemand waarvoor toch wel enige hoop was. Nare opmerkingen kunnen worden gemaakt naar een mens wat almaar bezig is met de roeping van de Heere. Zwijgend door het leven gaat omdat hij niet weet hoe het ooit waar zal moeten worden. Doch in de weg van de geleidelijkheid en veel onderwijs door de Heilige Geest komt toch meer en meer licht om de weg te gaan die is gewezen. En leert hij iedere spotter praten.

Het wonderlijke is dat wie niemand wil hebben voor de Heere goed genoeg is. Voor mensen waar door de godsdienst de grootste vraagtekens bij worden gezet is vaak de meeste genade. We lezen het door de hele Bijbel heen. Maar ook nu nog is het wegschenken van de genade voor de Heere vrij. Hij is geen God Die het moet. Maar Hij schenkt Zich weg aan hopeloze gevallen.

Paulus’ eerste verschijning bij de christenen was aanvankelijk geen zaak van blijdschap voor hen. Bevreesd en bang ontweken ze deze Godsgezant. Doch de Heere gaf toch weer iemand die hun vrees ongegrond noemde. Zo zorgt de Heere eerst voor een roeping. Vervolgens voor de bekwaming. Maar uiteindelijk ook voor een plek en mogelijkheid om in de praktijk te brengen wat de Heere heeft bevolen.

Ieder kind van God heeft een taak in Gods Koninkrijk. Daarom is het van belang almaar te vragen welke de weg is die de Heere wil dat wordt gegaan. Waar de Heere een plaats heeft voor het allerkleinste lid in zichzelf van het lichaam van Christus.