Een missend mens?

Mensen onderscheiden zich. Dat is zo in het dagelijks leven. Dat is ook zo in het geestelijke leven. Er is geen mens gelijk. Ja, een mens is zelf ook niet altijd gelijk gestemd. Soms is er een tijd van juichen aangebroken. Maar dan kan het weer donker in het leven zijn. Nogmaals, dit is in het gewone leven van alle dag het geval. Maar ook wat betreft de stand in het genadeleven.

Daarbij komt dat het karakter van mensen verschillend is. De één kan heel wat hebben voor hij in moedeloosheid terneer zit. Het geloof is groter dan dat van de doorsnee mens. Terwijl een ander eigenlijk altijd of in ieder geval heel snel bedrukt is. Het karakter speelt zo in het geloofsleven een grote rol. Ja het tekent de mens in zijn geloofsbeleving uit.

Zo kan het zijn dat er mensen als een Heman dood brakend over de aarde gaan. Ze kunnen het maar niet bekijken dat de Heere van hen af zou weten. Dat Hij aan hen genade verheerlijken zal. Ziende op zichzelf, wie zijn ze toch. En ziende op de omstandigheden, die zijn droevig zoals altijd. Zo kan er een heel leven voorbij gaan zonder ook maar enig zicht op de Heere Jezus in Zijn verlossend werk ook voor hen. Van dag tot dag gaan ze als missend en niets bezittend hun weg. En in die weg verwachten ze ook eigenlijk niets. Zou er voor dezulken ooit enig licht komen op hun pad? Toch is het praktijk dat voor mensen met een nauw leven niet zelden een ruim sterven wacht. Dat ze ten uiterste dage toch worden opgewekt.

Er zijn ook die als door de wind heen en weder worden gedreven. Het ene ogenblik gaan ze in de kracht van de Heere hun weg. Een ander ogenblik zien ze weer op zichzelf en ontvalt hen alle moed hun weg te vervolgen. Ze zijn bang zich te hebben bedrogen. En vrezen nog voor eeuwig verloren te moeten gaan. Ze kunnen het niet doen met dat wat is geweest. Durven niet te vertrouwen op tijden dat het weer beter zou kunnen gaan. Toch blijkt dat deze mensen in tijden van uiterste duisternis naar Boven weten te kijken. Vanwaar hun hulp komen zal. Ze meten zichzelf niets aan. Ze tobben hun eenzame strijd. En op het onverwachts mogen ze echter zingen: Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem. Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Het neemt niet weg dat ze op zulke momenten zich niets toeëigenen wat er nog niet is. Maar in het vertrouwen op hun Heere gaan ze stil hun weg. Het blijven de mensen die iets missen. Maar toch geloven en vertrouwen.

Er kunnen tijden aankomen dat het wachten zo lang duurt. Ze zien om zich heen al die mensen  die zoveel hebben waarop ze kunnen roemen. Mensen die het allemaal weten hoe het moet. En zij kunnen zich daar niet bij scharen. Het leert hen niet voorop te lopen. Maar achteraan de rij de kruimeltjes brood op te rapen die vallen. Zo houden ze zich soms jaren in het leven. In een weg van op en neer. Van hoop en vrees. Zou het dan ooit nog eens waar worden in het leven?  Het zijn de mensen die, levend van genade, staan naar bijzondere dingen in het leven. Alhoewel dit niet altijd zo aan de orde is. Bij tijden wordt de vrees een ogenblik weggenomen. En menen ze toch met de dag te kunnen leven. Maar wanneer de nood weer wordt opgebonden, de golven dreigen weer over het levensscheepje heen te slaan. Op die momenten kan alleen al een nieuw lichtpuntje hen moed en kracht geven de weg te vervolgen.