Met innerlijke ontferming bewogen.

De Heere verlost van het hoogste kwaad. Hij brengt tot het hoogste goed. Het inleven van dit wonder gaat gepaard met verwondering. Dat zoiets nu op mij is gemunt. Daar zovelen gaan verloren. Die geen ontferming worden gegund. Vanuit de liefde van het hart is daar de gunning. Om nu anderen deelgenoot te maken van datgene wat uit genade is en wordt geschonken. Elke dag weer opnieuw. Men probeert als het ware mensen te bekeren. Maar even zoveel keer komen we erachter dat dit een Godswerk is. Hij geeft het wie Hij wil. En onthoudt het zo ook aan mensen. Het blijft de begeerte van het hart om mensen te leiden tot de Heere Jezus. Om van en door Hem geleerd te worden. Zijn beeld te gaan dragen. Het vervult niet zelden met boosheid of wrok wanneer wordt gezien dat het zo’n onmogelijk werk is anderen te veranderen. Men steekt als het ware zoveel energie in dat werk. En schijnbaar is het alles tevergeefs. Men zou de moed verliezen en het bijltje erbij neergooien. Bij tijden boos en teleurgesteld een andere kant opgaan. Het alles maar aan de Heere teruggeven. Op die momenten is het weer de hoogste tijd dat de Heere Zelf Zijn moegestreden kind onderwijs geeft. Zoveel onderwijs dat het onwilligste hart verbreekt. Dat men als het ware weer bijtekent om de weg van de liefde en de gunning te vervolgen. Om weer voor een tijd bij te tekenen. Om deze moeilijke en vaak ondankbare weg te gaan.

In plaats van wrok en wrevel is men met innerlijke ontferming bewogen om hen allen die niet het verschil weten tussen hun rechter en hun linkerhand. En met vernieuwde moed en vernieuwde krachten wacht men tot de Heere de weg verder wijst. Het is als het ware dat springtouw wat wordt gedraaid. Om op het juiste moment in de bocht te springen. Dit vergt een tijd van zelfverloochening. Om niet langer maar een sprong in het diepe te wagen. Maar te wachten op de tijd die de Heere wijst. Het is het driftige en eigenzinnige karakter van mensen wat zo vaak de weg van de Heere doorkruist. Om niet als een mens die achteraan komt maar als een kortzichtig wezen een eigen weg te gaan. Een weg die keer op keer doodloopt.

De Heere leert Zijn kinderen bij en af. Met innerlijke ontferming bewogen moet de weg worden vervolgd. Niet als een betweterig iemand. Niet als een hoogmoedig mens. Niet als een rechter om anderen te oordelen. En niet als iemand die het zwaard hanteert om de ander de doodsteek te geven. Alhoewel het soms geen kwaad kan de vinger op de zere plek te leggen. De Heere leert Zijn kinderen altijd de weg van de vernedering. Van de zelfverloochening. Het staan onder anderen. Het handelen in de weg van de liefde.

Met innerlijke ontferming bewogen is het een wachten. Een wachten op de weg die de Heere wijst. Een achteraankomen in het vervolg. Dit alles door Woord en Geest geleid. Steeds meer wordt ervaren dat het leven van de genade niet in één dag wordt geleerd. De allerheiligste bezit daarentegen nog maar een beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid.