De oprechten zullen de aarde beŽrven.

Eerlijk en oprecht zijn. Het moet je gegeven worden. Een vrucht van genade. Aan de kant van de Heere te staan.

Hoe dikwijls blijkt dit helaas bij mensen niet  het geval te zijn. Maar zijn andere trekken aan de orde. Men draait met alle winden mee.  Men gaat niet recht door zee. Met iedereen wil men vriend zijn. En speelt uiteindelijk mensen tegen elkaar uit. Maar zo blijft men uiteindelijk alleen over.

 Men spreekt kwaad van een ander.  Men brengt roddel en laster voort. Om zelf maar beter voor de dag te komen. Men is niet eerlijk. Maar woorden worden verdraaid. De kant van de sterkste wordt gezocht. Geen tegenspraak wordt geduld. Men meent dat alles beter te weten. En beter te zien. Men probeert hoger te worden dan een ander.  Meer te zijn. Meer te hebben. En zo kunnen we doorgaan. Doch met oprecht zijn is veel aan de hand.

De Heere leert in Zijn Woord dat de eerste vrucht van genade de liefde is. En vanuit de liefde te leven geeft een nauwgezet leven. Dat leert naar zichzelf te kijken. Dat leert blijvend naar zichzelf te kijken. En zich steeds weer af te vragen: wie ben ik. Wat doe ik. Hoe ziet de Heere mij. Gods Geest ontdekt dagelijks aan jezelf. Elke keer weer kom je er bedrogen met jezelf uit. Ziende op alles wat niet is naar wat de Heere vraagt. En wat je toch weer deed. Toch weer sprak. Toch weer naliet.

Het leven met de Heere zoekt niet de hoogste plaats. Het zoekt niet de grootste eer. Het zoekt de eer van de Heere. De wil van de Heere. En wie zal dat van zichzelf  begrijpen. Is het niet meest een zoeken naar eigen eer? Naar de eigen haan die koning moet kraaien? Meer genade geeft een bukken en buigen. Onder de Heere. Maar ook onder mensen. Het neemt de onderste plaats in. En men is tevreden met dat wat men krijgt. Ja ontvangen heeft uit genade. Er is een zwijgen voor de Heere. Spreek Heere, want Uw knecht hoort. Het leert achteraan te komen. Te volgen. En de lange gebeden met veel eisen en verlangens verstommen. Want wat weten wij wat goed voor ons is. Wat weten wij wat uiteindelijk zal juichen tot Gods eer.

Uw wil geschiede. Laat ons leven zoals het behoort. Wijs ons Uw weg. Steeds opnieuw. En keer op keer. De oprechten, zij die zo leven, zo de Heere in alles nodig hebben en bedoelen, zij zullen uiteindelijk de aarde beŽrven. Allen die een ergerlijk leven lijden zullen omkomen. Zij zullen eenmaal bedrogen uitkomen wanneer zij nu menen dat het allemaal wel mee zal vallen.  Wij als mensen zijn geschapen om Gods lof te verkondigen. Al wat gij doet, doet het ter ere van God. Hoe zullen wij straks Gods lof verkondigen wanneer wij hier willens en wetens in tekort schieten.

Het leven met de Heere is voor de oprechten van hart niet eenvoudig. Ze zullen dagelijks de strijd ervaren met de driehoofdige doodsvijand. De strijd in de wereld. Waarin met toch een plekje heeft. De strijd tegen de duivel. Die met alles probeert mensen van God af te houden. Die beloftes doet zoals hij aan Eva eenmaal deed. Hij is immers listiger dan een slang. En dan is er bovenal de strijd tegen jezelf. Ik ellendig mens. Zo leren de oprechten van hart zichzelf kennen. En steeds meer beamen.

Toch is daar de liefde tot God. Die nooit meer vergaat. Die is uitgestort in het hart. Deze kiest voor de strijd. Liever een leven met de Heere met strijd. Dan een leven zonder strijd, maar dan ook zonder de Heere. Want zonder strijd is er geen zaligheid. De strijd werkt de heiliging van het leven. Waar duidelijk wordt geschreven dat zonder heiliging van het leven geen zaligheid is.