God is onveranderlijk            

Mensen met genade zijn niet de kinderen van de Heere Jezus. Hij is hun oudste Broeder. Door de Heere Jezus mogen zij vrijmoedig toegaan tot de troon van Gods genade. Om van en door Hem geholpen te worden ter bekwamer tijd. En ze zullen Gods kinderen genoemd worden. Gods kinderen zijn het licht van de wereld. Ze zijn begrepen in het plan van God. Ze dienen de raad van God uit. Hun leven is tot de verheerlijking van Zijn Naam. Er blijft een rust over voor het volk van God. In stilheid en vertrouwen zal hun sterkte zijn. De lessen die Gods kinderen in het leven krijgen duren zolang zij de laatste adem uitblazen. Dagelijks ontvangen ze de genade om te groeien in het allerheiligste geloof. O, als ze terugkijken, wat zijn ze vaak bestreden. Van binnen en van buiten zijn alle machten uit de hel erop afgekomen dat kleine plantje uit te rukken. Maar wat is er in de stormen van het leven toch een bijzondere boom uitgegroeid. Wat wordt het Woord waar, wanneer de psalmen spreken over die boom geplant aan de waterbeken. Die op zijn tijd ook nog vruchten draagt. Die in ramp en tegenspoed uitgroeit. Wat is groeien in genade toch een wezenlijk iets voor een christen. Waar toch het Woord spreekt dat ze niet langer als door de wind heen en weder zullen worden gedreven.Zeker zullen de dieptes in het leven blijven. Anders zou immers geen groei in genade meer gevonden worden. Maar het geloof groeit, het vertrouwen blijft. En de duivel zal zeker de strijd verliezen. Anders, hij heeft de strijd reeds verloren.

Och, de vrome godsdienst in deze dagen verstaat van deze groei van kinderen van God niets. Men houdt het verdacht. Pleit voor de wankelmoedige. Die almaar tobt en zucht en schreeuwt of het toch nog eens zou mogen gebeuren. Wat? Men wacht steeds weer op een gevoeligheidje. Maar de blijdschap van het geloof wordt gemist. Leven uit het geloof geeft rust. Slechts gedeelten uit het Woord worden bij de tobbers en twijfelaars aangehaald. En dan juist die stukken die hen passen. Het getuigt slechts van gemis. Gemis aan de vreugde die afstraalt van de wangen. Gemis aan geloof in een God,  Die af zal maken wat Hij eenmaal is begonnen. Het gemis in een God,  Die niet liegen zal. Van een God, Die niet is als mensen. Leven uit het geloof is niet leven uit zien en aanschouwen. Het is niet gebaseerd op gevoel. Alhoewel het niet zonder gevoel gaat. Zalig zijn zij, die het niet zien en het toch mogen geloven. Het is een werk wat de Heilige Geest werkt.

Het is zo erg wanneer een mens dit doorgaande werk niet verstaat. Wanneer men voor eigen hart en leven die derde Persoon in het Goddelijk Wezen niet kent. Wanneer men bij de rechtvaardigmaking op een rustbed zich neerlegt. Niet wetend dat men in de vrijstad eerst veilig is. Het blijft een strijd om in te gaan. Er blijft een vraag naar meerder genade.En door de Heilige Geest zal er een groei in genade niet uitblijven. Een baby blijft geen baby. Hij zal groeien en leren lopen en praten. En wanneer hij tot de volwassenheid zal komen, hij heeft een eigen persoonlijkheid ontvangen. Zo zal het ook zijn in die persoonlijke verhouding tot God in de Heere Jezus door de Heilige Geest. En wie zal zich mogen verwaardigen de band tussen God en Zijn kinderen verdacht te stellen. Ja, erger, wie Gods kinderen aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.

God is een Waarmaker van Zijn Woord. In Christus zijn al Zijn beloftes ja en amen. En geen van die zal zomaar op de aarde vallen. Al zal het gaan door de zee. Al moet het in de oven. De Heere zal als met arendsvleugelen steeds weer op Zijn tijd en wijze van de afgrond redden. Hij zal de val van Zijn kinderen niet willen.

Wat is het bevindelijke leven met de Heere een leven van wonderen. Van uitreddingen. Van bijzondere ervaringen. Nee, dat zal niet voor ieder hetzelfde zijn. Maar allen zullen ze toch komen uit de grote verdrukking. Hun klederen witgewassen in het bloed van het Lam. Om zo eenmaal rechtvaardig en geheiligd en zonder verschrikken voor God te verschijnen.

Zalig hij die in dit moeilijke leven de God van Jakob tot Zijn hulp heeft. En al komt alles en iedereen erop af, Hij is de Almachtige. En zou er voor de Heere dan iets te wonderlijk zijn. Dan zal Hij, wat niemand acht, oprapen. Uit de afgrond trekken. En met Zijn vleugelen dekken. Hem op een rots gezet. Waar hij met vaste tred. Die jammerkolk ontwijkt.