Heere, waar bent U?

In het leven kunnen voor Gods kinderen tijden zijn waarop ze zich de vraag stellen: Heere, waar bent U? Het is hen alsof ze in het donker dwalen. Alsof de Heere is geweken. Met wat in het verleden is gebeurd. En wat zij toen hebben ervaren. Ze kunnen het er niet meer mee doen. De gevoelige gemeenschap met Hem is weg. Er komt een uitzien naar vernieuwing van het geestelijk leven. Om weer dat te beleven wat ze toen beschreven als het enige waar ze mee konden leven. En een verslagen geest, wie zal die oprichten.

Laat ik bij het begin beginnen. Zeker is er die eerste tijd van genieten van gemeenschap met de Heere. Het is als met een Maria. De Heere was zo dichtbij in de tijd die aan Zijn sterven en opstanding voorbij ging. Zo wilde ze het. Zo kon ze in Hem geloven. Ze zag Hem. Ze hoorde Hem.

Maar het werd anders. De Heere Jezus werd aan het kruis genageld. Hij zag de dood. Maria ging naar het graf. Ze wilde bij Hem zijn. Al was Hij ook gestorven.  Het graf was echter open. De Heere was er wel geweest. Maar nu was Hij er niet meer. Maria weende. Hoe moest het nu verder. Zo, zonder Hem.

Een bijzondere ontmoeting vond plaats. Maria met een opgestane Heere Jezus. En wat dacht Maria? Dat het weer verder zou gaan zoals het was geweest . Maar, de Heere Jezus sprak haar toe. Maria, raak Mij niet aan. Het gaat anders worden. De Heere Jezus ging naar de hemel. Maria wilde blijvend leven in de gevoelige gemeenschap met Hem. Doch zij moest een les leren. Maria moest niet langer leven terwijl ze Hem in levende lijve bij zich had. Maria moest leren om uit het geloof te leven. En ook voor ons geldt dit. Zalig die niet zien, en toch geloven. Geloven dat HIj er is als de omstandigheden moeilijk zijn. Nog moeilijker worden. Leren vertrouwen dat Hij er bij is. Ook al zie je Hem niet. Leren om te wachten. Want zo HIj vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen. En niet achterblijven.

Nu ga ik terug. Er was een tijd van genieten. Van een voelen dat het waar was. Dat de Heere zo dichtbij was. Het oog op jou had geslagen. En toch is het niet zo gebleven. Het is anders geworden. Die gevoelige gemeenschap zoals we het noemen is verdwenen. Het lijkt alles koud en koel. En, het is een mens eigen, er wordt een oorzaak bij gezocht. Wat is de reden dat ik, persoonlijk, niet meer dat voel en dat ervaar wat voorheen voor mij alles betekende. Zo was het. Dat was het. En zo moest het blijven.

En bij het zoeken naar een oorzaak gaat het zo vaak mis. Er wordt gekeken naar dit en naar dat. Naar die en naar nog weer een ander. Want er moet toch een oplossing zijn voor mijn probleem. Vergeten wordt dat de reden van het donker wat wordt ervaren wel eens kan liggen aan mezelf. Dat het tijd wordt om naar mezelf te kijken. En mijzelf af te vragen: ben ik het Heere? Het kan een moeilijke confrontatie worden wanneer wordt gezien hoe je nu zelf in gebreke bent gebleven. Hoe je nu zelf dat hebt gedaan wat je niet had moeten doen. Hoe je nu zelf naliet wat zo nodig was. Ja, om nu recht en duidelijk te zien dat je een voorstelling hebt gehad van je geestelijk leven wat het uiteindelijk helemaal niet blijkt te zijn. Een voorstelling van de preken. Een voorstelling van de contacten die je had gekregen. Kortom, je had het zelf al een beetje en misschien wel helemaal ingevuld.

En nu is het donker. Je zit op de puinhopen van je bestaan. En het ligt niet langer aan die ander. Je bent zelf de weg kwijt. Hoe moet het toch ooit goed komen. Wat is de weg die de Heere van je vraagt.

Dat vraagt een tijd van rust. Een tijd van nadenken. Een tijd van tot jezelf inkeren. Een tijd van zwijgen. Maar ook van luisteren. Niet om weg te gooien wat de Geest tot de gemeente zegt. Maar om te leren geloven dat niet die ander. niet het andere, maar dat je zelf moet veranderen. En dat veranderen vraagt keuzes. Wil je nog langer een deel zijn van het geheel waartoe je behoort. Of is het zo dat de Heere van jou een andere weg vraagt. Een andere gedachtegang. Een ander geestelijk leven. Niet zoals jij het je had voorgesteld. Zoals jij het wilt. Om als het ware van een glijbaantje naar de hemel te gaan. Maar om te gaan ervaren dat geloof iets geheel anders is dan het gevoel. Zeker gaat geloven niet zonder het gevoel. Maar het geloof staat wel boven het gevoel. Het geloof leert om je gevoel bij tijden te vervloeken. Omdat het zo bedrieglijk is. Omdat het iets is wat zo geheel bij jou persoonlijk past. En omdat je hebt gezien wat je met jouw verkeerde gevoel hebt aangericht.

Een bevindelijk leven met de Heere is op de plaats waar Hij je heeft gesteld te zijn tot een lichtend licht en een zoutend zout. Ook al lijken de omstandigheden zo onmogelijk. Wanneer je als een Jona wegloopt krijg je de Heere tegen. Maar, dat is iets geheel anders dan dat HIj Zich van je terugtrekt. Hij maakt de weg die jij van Hem af wilt gaan zo dat je op je knieŽn valt. Schuld belijdt en je plaats opnieuw inneemt. Wetend dat de Heere je daar heeft gesteld. Het onderwijs wat nu wordt ontvangen gaat verder dan het gevoel wat je vroeger erbij had. Niet langer leven uit het gevoel. Maar uit het geloof. Dat hoe het ook mag tegenlopen, op Zijn goedheid moet je leren hopen. Dat gaat steeds weer in een weg terug. In een weg om met lege handen bij Hem te zijn. Te vragen om Zijn wil en Zijn weg. Met jou. Persoonlijk.

Het is uit met het wijzen naar een ander. Om die ander aan te wijzen als zijnde oorzaak van jouw dwaaltocht. Nu is het: spreek Heere, want Uw knecht hoort.