Staat en stand in het geestelijk leven.

De Heere heeft van eeuwigheid een volk uitverkoren wat in de tijd zeker zalig zal worden. Zij zullen geleerd worden in een weg die naar hun vlees niet is. Ze zullen moeten gaan zien dat ze van huis uit op weg zijn naar een eeuwige rampzaligheid. Dat ze voor God niet kunnen verschijnen zoals ze zijn geboren. Nogmaals, dit is niet naar het vlees. Want van nature zoeken mensen zichzelf en willen ze leven naar het goed denken van hun eigen hart. Hun zogenaamde staat is uit de duivel. Daarom komen uit hun hart vruchten voort die boos zijn. Stinkende vruchten. Boosheid, leugens en laster. Het is zich voortdurend uitleven zonder enige kennis van Gods heilige wet.

Wanneer Gods Heilige Geest eraan te pas komt, men gaat zien wie men is. Men gaat zijn verloren staat inleven. Bij ontdekkend licht komen alle verkeerde en goddeloze daden hen helder voor ogen te staan. Er komt een haasten om gered te worden. De Enige Middelaar is de Heere Jezus Christus. Hij heeft een weg geopend om zondaren met God te verzoenen. Het geloof in Hem geeft een staatsverwisseling. Men is niet langer het eigendom van de mensenmoordenaar vanaf het begin. Er is in de vergeving van zonden voortaan een gebouwd worden op het enige Fundament de Heere Jezus Christus. Levenssappen uit Hem worden als het ware door Gods Geest gebracht in die mens die dit wonder van genade in het leven mag ervaren.

Vanaf dat moment ligt de staat van de mens vast. Hij kan zich nooit meer uit God zondigen.

Nu komt de praktijk van het leven van een wedergeborene. Al in het Woord lezen we van kinderen van God die in de zonde vielen. We zeggen dan wel dat terwijl de staat van een mens vastligt, ze zijn niet op hun plek. Hun stand in het leven is verkeerd. Door alle eeuwen heen is gebleken hoe zich dit herhaalde. Mensen met genade die voor een tijd God vergaten. Opnieuw uitleefden wat ze eigenlijk zelf niet voor mogelijk hadden gehouden. Zijn het dan geen kinderen meer van God? Juist in zulke wegen van afval zal gaan blijken of het werk in hen uit God was of niet. God laat Zijn kinderen niet los. Hoe ver ze ook van Hem zijn afgeweken, Hij brengt ze altijd terug. Tegenover de ontrouw van mensen staat Zijn trouw. Die trouw zal niet laten varen wat God eenmaal is begonnen.

Het terugbrengen van afgeweken schapen naar de stal gaat altijd in een weg van schuld. Van berouw. Van verdriet. Van onrust. Van opnieuw ontdekkend licht door Gods Geest. Maar deze weg leert als de verloren zoon naast deze weg van inkeer ook afkeer en terugkeer. Zonder deze drie stappen zal er nooit vergeving worden gevonden voor datgene wat in zonde is gedaan.

De inkeer zal in een tijd van rust en overdenking komen. De afkeer ligt daar vlakbij. Maar in de terugkeer ligt altijd het verlies van jezelf. Daar wordt men niet langer in een weg van hoogmoed of zelfhandhaving geleid. Er komt een bukken en buigen voor God. Er wordt gezien dat de in zonde gevallen mens als een bedelaar aan Gods genadetroon verschijnt. Om uiteindelijk het alleen en opnieuw van Hem te verwachten. Dan zal de Heere Zelf wegen wijzen om van de ingeslagen, maar verkeerde weg, terug te keren. Om zo weer in een zuivere gemeenschap met Hem de weg te vervolgen.