Strijd de goede strijd.

Lieve aardige mensen. Die het goed hebben. Zo fijn. Zo heerlijk. We komen ze overal tegen. Vrede, vrede en geen gevaar. Geen last van zonde. Geen last van strijd. Het leven is zeker niet eenvoudig. Maar de Heere zorgt. En zo is het goed. O die Almachtige God en Vader. Ja, ze loven en prijzen Zijn Naam. Ze jubelen het uit: Ze houden van de Heere. En Hij houdt ook van hen. Straks gaan ze naar de hemel. Ja, daar kijken ze naar uit.

Hier en daar zitten echter anderen. Ze gaan ook door dit leven. Natuurlijk, ze hebben het ook goed. Ook fijn. Naar de uiterlijke dingen. Maar in hen is het zo vaak een warboel. Daar is het zo vredig niet. Integendeel, alles ligt vaak overhoop. Want hoe moet het toch ooit goed komen. Duizend vragen rijzen in hen op. En wanneer ze even denken het antwoord te weten, de strijd is er alweer. Ze zijn zo bang zich te vergissen. Bang om te komen in de handen van Saul. Bang de Heere kwijt te zijn of te raken door eigen schuld. Hoe mensen om hen heen ook praten, ze komen er niet uit. Ze laten zich door hen niets gezeggen. Stil en vaak eenzaam gaan ze hun weg. Je kunt ze vinden met de Bijbel op hun schoot. Terwijl ze ook daarin vaak niets vinden wat hen bemoedigt. Alles getuigt immers tegen hen. Jazeker, voor een ander kunnen ze het wel geloven. Maar zij, wie zijn zij. Het zal immers rechtvaardig zijn wanneer de Heere hen eenmaal van Zich weg zal sturen.

Zeker, er zijn dingen in hun leven gebeurd. Ze zijn bang voor de zonde geworden. Ze hebben de Heere wel eens in hun leven ontmoet. Maar nu, ze kunnen het er niet meer mee doen. Hoe moet het toch verder. Ze weten het niet. Eén ding weten ze wel: Alleen de Heere zal hun strijd kunnen verlichten. De strijd die ze voeren in dit leven. Een strijd tegen al die mensen die het hun toeroepen: Je moet het geloven. Kom, je moet het geloven. Wanneer ze in hun ogen meewarige blikken zien omdat ze het eenvoudigweg niet kunnen. Ze voeren de strijd tegen de wereld. De wereld die de zonde niet haat. Die hen probeert mee te slepen in het verderf. Waar ze op hun werk, ja zelfs in hun gezin zo moeilijk staande kunnen blijven. Maar bovenal hebben ze zoveel last van hun eigen-ik. Ze zien maar steeds wie ze zijn. Wie ze niet mogen zijn. Zo kunnen ze immers voor God niet bestaan. Het kwade wat ze niet willen doen, ze doen het. Het goede wat ze doen willen, ze doen het niet.

Jazeker, ze hebben wel eens gedacht dat het beter zou worden. Maar ze komen er steeds meer achter dat het niets was, niets is, en ook niets zal worden. En toch, met al hun moeite, met al hun strijd, ze zouden toch met die vrolijke blije mensen niet willen ruilen. Waarom niet? Waarom verkiezen ze toch met het volk van God kwalijk behandeld te worden? Ze hebben in het Woord gelezen dat al Gods kinderen uit de grote verdrukking komen. Ze hebben gelezen dat de dagen van de duisternis veel zullen zijn. Ze hebben gelezen dat in de diepte de Man met het rode paard is. Ze hebben ervaren dat ze vanuit de diepte steeds weer vertroost worden. Zeker, het zijn soms maar momenten. Maar die momenten zouden ze niet willen missen voor al het goed van deze wereld. Dan is het goed, hun zaligst lot, nabij te wezen bij hun God.

Ze weten heel goed uit hun geloof te moeten leven. Het geloof, wat nooit zonder gevoel zal gaan. Maar juist dat is het wat hen benauwd. Ze hebben bij het geloof van al die blije en gelovige mensen geen goed gevoel. Integendeel. Voor hen staat vast: Onderzoekt uzelve nauw, ja zeer nauw.