Zeg me wie je vrienden zijn.

Gods kinderen krijgen in dit leven allen te maken met mensen. Ze leren in dit leven allerlei mensen kennen. Je hebt mensen waar je graag mee omgaat. Om anderen loop je liever heen. Hier zijn verschillende redenen voor te noemen. Er kunnen karakters zijn die botsen. Het kan zijn dat een levenswijze niet met elkaar overeen komt. Het voornaamste is de bron waaruit mensen leven. Gods kinderen zoeken altijd die mensen die vanuit de liefde die God in het hart heeft gelegd leven. Of, ernaar willen leven. Onderling is geen naijver. Geen jaloezie. Er is altijd een gunning naar de ander en een heimwee om van en met elkaar te leren. Niemand heeft ook maar enige behoefte boven een ander te staan. Natuurlijk kent de één meer genade dan de ander. Een hoogmoedig karakter kan oorzaak zijn van veel verdriet in een relatie. Wat niet nodig is bij geleerd bukken en buigen onder elkaar. In een weg van samen optrekken blijkt de genade immers mededeelzaam te zijn. In een weg van het verlies van jezelf is zo altijd een groeien in genade bij het samen optrekken.

Het is praktijk dat er maar een overblijfsel is wat de Naam van de Heere ootmoedig vreest. In de regel willen mensen Hem wel dienen, maar op hun eigen wijze. Dat de liefdedienst offers vraagt wil men niet. Men wil met behoud van zichzelf de weg gaan. Men wil zijn vrienden behouden. Ongeacht hoe ze leven. Men wil geen familie missen. Kortom, de Heere staat helemaal niet in het midden. Ze staan zelf egocentrisch. Het is niet naar het Woord. Het zijn ook geen vruchten van genade. Waar duidelijk staat geschreven: Des mans huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Zeg me dus wie je vrienden zijn, dan kan ik zeggen wie jij bent. In het omgaan met mensen komt dan ook het verschil tussen schijn en zijn duidelijk openbaar. Geen mens gaat  naar de hemel met behoud van zichzelf. Zonder de strijd tegen het eigen ik. Met het behoud van eigen inzichten of gedachten. Alleen zij die zich volkomen aan de Heere overgeven leren de weg naar de Godzaligheid te houden. Die weg staat getekend in Gods tien geboden. Om die te doen uit dankbaarheid. Een weg die een volkomen leven van zelfverloochening vraagt. Ook in relaties.

Het overblijfsel wat de Heere vreest is in de ogen van de grote menigte een veracht volk. Ze tellen eigenlijk niet mee. Ze zijn wat apart. Doen dingen die toch in deze maatschappij niet kunnen. Ze lopen niet voorop. Komen een beetje achteraan. Eigenlijk zouden ze uitgeroeid moeten worden. De mond gesnoerd. Er was een kleine jongen die het grote leger zag wat tegen wilde strijden. Bevreesd keek hij naar zijn heer. Op diens gebed werden de ogen geopend. Verbaasd zag hij de vele engelen aan zijn zij. Al Gods kinderen leren dit wonder zien. Die voor zijn, ze zijn meer dan die tegen strijden.

In dat geloof gaan Gods kinderen door het leven. Soms met weinig vrienden. Maar die ze krijgen hebben ze van de Heere gekregen. Het hoofd omhoog. Het hart naar Boven. Vanwaar hun hulp en kracht wordt verwacht. Gods kinderen leren van en met elkaar  in dit leven steeds standvastiger de weg met de Heere te gaan. Het Woord leert dat er op de weg velen af zullen vallen. Een tijdlang hebben ze gekozen voor Gods kinderen. De schijnbare onmogelijkheden van dat leven hebben hen echter doen vertwijfelen. Want als dat leven nu het leven met de Heere is, nee dat zoeken ze niet. Zoveel verdriet. Zoveel pijn. Zoveel strijd.  Het ging te veel tegen hun vlees. Het vlees wat ze liever streelden. Hun naam die ze  wilden  behouden. Nog voor ze de eindstreep haalden zijn ze teruggekeerd naar hen die ze niet konden missen.